Beoordelen

Door hier te klikken kunt u een lijst downloaden voor de beoordeling van overkoepelende competenties. Deze lijst is te gebruiken bij de beoordeling van de profielmeesterstukken. Dat wil zeggen, dat de lijst zich beperkt tot de elementen die een profielwerkstuk tot een profielmeesterstuk maken:

  • Sluit het profielmeesterstuk aan op een vervolgopleiding of
  • Is het profielmeesterstuk gemaakt in opdracht van een echte opdrachtgever én
  • Heeft de maker van het profielmeesterstuk aangetoond over de competenties te beschikken die belangrijk zijn voor een succesvolle doorstroming naar het vervolgonderwijs?

Voor de gedetailleerde beoordeling van de inhoud van het profielmeesterstuk hebben scholen ongetwijfeld goede instrumenten ontwikkeld. De instrumenten die hier gepresenteerd worden kunnen als aanvulling op de gebruikelijke instrumenten worden ingezet.

De jury die de profielmeesterstukken beoordeelt, zal daarbij vooral letten op die hierboven vermelde criteria en dus ook gebruik maken van het instrumentarium dat we hier presenteren.

De school kan de gepresenteerde lijsten aanpassen aan de eigen situatie. 

  • Een vraag is: wanneer worden de competenties beoordeeld? Competenties kunnen op allerlei momenten worden beoordeeld. Aan het begin, tijdens en/of aan het eind van de het maken van een profielmeesterstuk. Het is logisch dat het profielmeesterstuk met een eindevaluatie wordt afgerond. Deze kan opgebouwd zijn uit meerdere tussentijdse beoordelingen. Bij de beoordeling van competenties ligt het voor de hand dat leerlingen voor bepaalde competenties op meerdere momenten beoordeeld worden ('groei'). Het beoordelen van competenties zal ertoe leiden dat leerlingen hun competenties gaan ontwikkelen. De beoordeling is dan een didactisch hulpmiddel. Door het beoordelen van de competentieontwikkeling van leerlingen krijgt de school zicht op de mate waarin het onderwijs competentiegericht is, zodat zij het onderwijs eventueel kan bijstellen.
  • Een andere vraag is hoe de school competenties wil evalueren of beoordelen. Welke instrumenten worden gebruikt voor de beoordeling? Naast de beoordelingslijsten kunt u bij de SLO het competentiespel bestellen. Het competentiespel bestaat uit allerlei competentiekaarten met gedragskenmerken (overeenkomend met de beoordelingslijsten) met verschillende spelvormen.
  • Een derde vraag is: wie gaat er beoordelen? Als dat mogelijk is, is het goed bij tussentijdse evaluaties medeleerlingen te betrekken. Ook is het goed, dat een leerling zichzelf evalueert (zie tweede tabblad van het exceldocument). Ook de docent en een eventuele opdrachtgever kunnen tussentijds feedback geven op de competentieontwikkeling van de leerlingen. Bij tussentijdse evaluaties ontbreekt het element ‘beoordelen’. Het gaat erom de stand van zaken op te nemen en te bespreken hoe de leerling aan de verbetering van zijn competenties kan werken. Deze benadering geeft de leerling de veiligheid die nodig is om zichzelf kwetsbaar op te stellen en geeft de leerlingen tijd en ruimte om zich te ontwikkelen. Het eerste blad van het exceldocument geeft de mogelijkheid om ook anderen bij de tussenevaluatie te betrekken. De eindbeoordeling gebeurt door de docent, eventueel in samenspraak met de externe opdrachtgever of de vertegenwoordiger van de vervolgopleiding. Bij het eindoordeel speelt mee in hoeverre de leerling geleerd heeft van de tussentijdse evaluaties. Leren van je ervaringen is namelijk één van de gedragskenmerken die bij de competentie ‘reflecteren’ hoort.
  • Een vierde vraag is: met welke maatstaf wordt er beoordeeld? De beoordelingslijsten zijn zo vormgegeven dat er per competentiegebied een oordeel wordt gegeven tussen beginner, lerend, gevorderd en volleerd. Het geeft voor het competentiegebied de ontwikkelingslijn aan. De beoordeling per competentiegebied gebeurt aan de hand van de verschillende gedragskenmerken. De gedragskenmerken geven concreter beeld voor het competentiegebied. Het is zeker niet de bedoeling dat alle gedragskenmerken afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Er zijn twee uiteenlopende manieren om te komen tot een oordeel: de deel-totaal of inductieve methode en de totaal-deel methode of deductieve methode. Bij de deel-totaal methode worden per competentiegebied eerst alle gedragskenmerken afzonderlijk beoordeeld en vervolgens op grond van een bepaalde beslissingsregel een totaal oordeel gegeven voor het betreffende competentiegebied. Een voorbeeld van een beslissingsregel hierbij is: een beginner heeft 75% van de beoordeelde gedragskenmerken het oordeel 'beginner' gekregen, een lerende 75% het oordeel 'lerend', een gevorderde 75% het oordeel 'gevorderd' en een volleerde 75% het oordeel 'volleerd'. Bij de totaal-deel methode wordt voor een bepaald competentiegebied eerst een totaal oordeel gegeven. Deze wordt vervolgens gecheckt en gelegitimeerd aan de hand van de beschreven gedragskenmerken van het betreffende competentiegebied. De gedragskenmerken verfijnen het beeld van het totaal oordeel over het competentiegebied. Natuurlijk blijft het discutabel wanneer een leerling een gedragskenmerk wel of niet bezit. Bijvoorbeeld in hoeverre heeft de leerling de mogelijkheid gekregen om een bepaalde competentie en de daarbij horende gedragskenmerk te laten zien?

Tot slot is er de vraag wat de school met de beoordelingsgegevens doet. Worden deze gebruikt om de vorderingen van de leerlingen bij te houden voor een leerlingvolgsysteem of voor het portfolio van de leerling (met oog op een mogelijke vervolgopleiding). Worden de beoordelingsgegevens gerapporteerd naar derden, bijvoorbeeld opdrachtgever, vervolgopleiding en/of ouders. In hoeverre telt de beoordeling van de overkoepelende competenties mee met het eindoordeel van het profielwerkstuk? Wat is de weging van de overkoepelende competenties tegenover de inhoudelijke, cognitieve competenties? Bij een profielmeesterstuk mogen we veronderstellen dat de overkoepelende competenties een belangrijk onderdeel zijn bij het eindoordeel. De leerling krijgt bijvoorbeeld een cijfer voor de inhoud en een aparte eindoordeel (beginner, lerend, gevorderd, volleerd) voor de overkoepelende competenties met het oog op zijn/haar aansluiting met het Hoger Onderwijs.